Hij woont al sinds de oplevering in 1981 met zo´n honderd medebewoners in zijn ideale, collectieve woonvorm van de vereniging Centraal Wonen Delft. Architect en stedenbouwer Flip Krabbendam (79) gaf vorm aan dit bewonersinitiatief, samen met de toekomstige bewoners. Het aantal bewoners en ‘woningen’ fluctueert. Je kunt namelijk binnen de vier gebouwen (clusters) kiezen voor een aantal (opper)’vlakjes’, waardoor het aantal ‘woningen’ en bewoners in de tijd verschilt. In het project ontmoeten bewoners elkaar in vele gemeenschappelijke ruimtes, zoals de huiskamers en keukens, de clustertuinen, de moestuin of de projectruimte.
Stedenbouwer Flip Krabbendam: ‘Een (woon)gemeenschap krijgt zuurstof door terloopse ontmoetingen’
Flip Krabbendam tijdens een privémoment in de openbare ruimte
ZorgSaamWonen sprak met Flip naar aanleiding van zijn essay ’Hoe wij de buitenwereld radicaal anders gingen bekijken en wat dat, nog steeds, betekent voor de ontwerpopgave’. Geen betere ontmoetingsplaats dan zijn eigen woning in dit collectieve wooncomplex. Vanaf de eindhalte van tram 1 in Delft Tanthof lopen we door de wijk naar de vier delen van het project de zogenaamde clusters, die samen de vereniging Centraal Wonen Delft vormen. Eigenaar van dit sociale huurcomplex is woningbouwvereniging DWO. Maar de toewijzing van een vrijgekomen woonruimte gebeurt door de bewoners, aan de keukentafel in de betreffende groep waar een plaats is vrijgekomen.
“We hebben wachtlijsten van maximaal een half jaar, anders worden ze veel te lang”, zegt Flip. Wil je langer op de lijst staan, moet je je na ieder half jaar opnieuw inschrijven. “We kiezen dus samen voor een nieuwe bewoner en nemen niet de bovenste van de wachtlijst. Want dat doe je toch ook niet met de partner met wie je gaat samenwonen?”, lacht Flip. “We kiezen heel bewust wie het beste bij de groep past. Zowel privé als in de gemeenschappelijke ruimten.”

Het ‘gele’ cluster
Naar wens
We naderen het complex aan de zijde van het ‘gele’ cluster. De andere gebouwen hebben de namen en kleuren: rood, groen en blauw. Waar Flip op wijst zijn de uniforme vlakken onder de ramen. Die kun je naar wens en op eigen kosten voorzien van een ruit, zodat je verblijfsruimte meer eigen wordt en meer licht en uitzicht krijgt. We passeren het gele cluster en zien in de plint onder het blauwe cluster een gemeenschappelijke ‘projectruimte’. Hier ‘huist’ sinds 2023 een team van Odensehuis De Linde Delft. Zij bieden hier zorg en aandacht voor (wijk)bewoners met lichte dementieklachten en hun mantelzorgers. Als deel van hun, ook preventieve, aanpak verzorgen ze vanuit deze gemeenschappelijke ontmoetings-, verblijf- en werkplaats allerlei inloopactiviteiten voor bewoners en voor de buurt. Deze vorm van dubbelgebruik van de multifunctionele ruimte voor bewoners maakt dat er altijd reuring is, aldus Flip.

Odensehuis organiseert bewoners- en buurtactiviteiten in de plint onder het ‘blauwe’ cluster
Dan op weg naar zijn Flips woning, naar zijn privéoppervlaktes in cluster groen. Flip opent de deur van het gebouw en we zien als eerste een gezamenlijke keuken met de krant op de keukentafel, een tussenruimte met biljart, een deur naar een diepe binnentuin en een welkome huiskamer. Nog steeds zijn we niet waar we naar op weg zijn. We nemen een trap naar de eerste etage en komen op een overloop met een trap naar de volgende etage. Op deze overloop zijn zes deuren en een ‘etage keuken’. Hier zet Flip de waterkoker aan voor thee. Eén deur is van de woonruimte van ‘de buurman’, twee andere leiden naar de gezamenlijke badkamer en het toilet. “Ja, daar schrikken mensen van”, weet Flip, “maar dat vinden we op vakantie in sommige hotels toch ook geen probleem?” Twee deuren leiden naar de kamer van Flip’s zoon en naar de ouderslaapkamer. Door de zesde deur betreden we dan de lichte ruimte van het woon- en werkvertrek van Flip en zijn partner.
Veranderingen
“Heb je mijn essay gelezen”, vraagt Flip? “Ja? Nou, dan weet je alles al”, grapt hij. In zijn essay beschouwt hij de grote veranderingen die hebben plaatsgevonden in de architectuur en stedenbouw en met name wat ze teweegbrachten op het sociale vlak. Hij noemt Descartes, de aanjager van de Verlichting met zijn ‘meetbare’ werkelijkheid en de opkomst van een technocratie. Weliswaar vertoonde de architectuur ‘esthetisch tegenwicht’, onder meer met Art Deco en de Amsterdamse en Delftse school. Toch won het zogenoemde ‘Modernisme op basis van techniek en wetenschap’ het met een architectuur die niet bedoeld was om tegemoet te komen aan de vraag naar geborgenheid, waar men zich veilig kan voelen en waar herinneringen kunnen voortleven.
Een hierop volgende verandering wordt ingezet door het ‘existentialisme’, beschrijft Flip, waarin de werkelijkheid van techniek en wetenschap plaats maken voor het denken in waarheid en authenticiteit. Filosoof Martin Heidegger leert hoe we ons op basis van het bewustzijn verhouden tot de wereld en hoe wij hiertoe een ‘open houding’ kunnen aannemen. Door zo’n open houding kunnen er ook nieuwe, authentieke ervaringen ‘uit het niets’ ontstaan. Dit denken draait rollen om; ook in de architectuur. De privésfeer wint aan belang. Van een plek om je illusies te verbergen werd het een plaats waar je je authentieke gevoelens kon beleven. Een kunstenaarsgroep in het Parijs van vijftiger jaren, de Situationisten, trekt het ‘opdoen van authentieke ervaringen door zich open te stellen’ door naar ‘de beleving’ van de stad.
Boomstructuur
Creativiteit, keuze en actie worden de nieuwe begrippen in de stedenbouw en architectuur. De ‘menselijke maat’ doet zijn intrede: plaats woningen niet in een grootschalig niemandsland waar men zich verloren voelt, maar neem ze op in een reeks van schaalniveaus, straten, buurten en wijken die een overgangsgebied vormen tussen de privéwereld van de woning en de openbaarheid van de stad. Zie de stad en de woningbouw als een boom. Dit werd uitgedragen door architectengroep Team X, met name door hun woordvoerder Aldo van Eyck. Zo werden ook de zogenoemde bloemkoolwijken gebouwd.
Omarmen van bewoners en natuur
Reacties hierop zijn opnieuw een vorm van zakelijkheid door Carel Weeber en later kwam de beleving terug in de vorm van Disneyficatie, met ‘kunstmatige’ themawijken. De laatste ontwikkeling die Flip beschrijft is die van ‘het omarmen van bewoners en van de natuur’. Er verschijnen mooie schetsen van straten met groen, boompjes en bosjes en blije mensen die met elkaar een praatje maken. Maar als je vervolgens naar de gerealiseerde plannen kijkt, dan blijft dat laatste, de blije mensen, een punt van aandacht, schrijft Flip. Zijn conclusie is dat alleen een ruimtelijke boomstructuur; niet voldoende is. Ook een sociale boomstructuur moet erin verweven zijn. Pas dan kan men zich thuis voelen in een sociale context.

De krant op tafel in de gemeenschappelijke keuken
Ruimtelijk/sociale schaalniveaus
De verwezenlijking hiervan ziet Flip in woongemeenschappen. Hierin kun je zien hoe een klein ruimtelijk/sociaal schaalniveau, een groepsruimte, weer een groter geheel, een hoger ruimtelijk/sociaal niveau nodig heeft. En zo leidt deze benadering tot een reeks van gemeenschappelijke ruimten van een steeds hoger schaalniveau, tot levendige straten, buurten en steden. Op alle niveaus geldt daarbij, zo schrijft Flip: “zolang mensen maar kunnen zitten zonder verplicht te zijn tot een ‘terloops’ contact, terwijl dat wel mogelijk is voor wie dat wil. “Op de wat hogere schaalniveaus kun je denken aan zogenoemde ‘openbare privéruimten’, denk aan een bushalte, voorzien van een zitplekje en een ‘conversation starter’.” Dit laatste kan zijn: het uitzicht op de bloesem in de tuin, de ingang van een winkel, een speeltuintje of een plekje om de eendjes te voeren.
Op deze visie studeerde Flip af aan de TU Delft, werkte hij zijn leven lang aan collectieve woonvormen en werd uiteindelijk, na zijn pensionering nog gevraagd door de 50 jaar jongere geestverwante architect Tijmen Kuyper om samen te werken. Tijmen richtte CoWonen op van waaruit ze samen adviezen geven en ondersteunen bij het ontwerp van nieuwe, collectieve woonvormen.
Gelukkiger en veiliger
“Voor mij is het geen werk”, benadrukt Flip. “Voor Tijmen biedt het een toekomst, voor mij geeft het, behalve dat het ontzettend leuk is, zin aan het verleden. En we komen samen ook tot nieuwe inzichten. Zo dachten we ooit dat een groep ontstaat door geplande groepsactiviteiten, maar onze ervaring is dat een (woon)groep juist steunt op terloopse, spontane ontmoetingen. Zeg maar dat een gemeenschap zuurstof krijgt door terloopse ontmoetingen. Dit geldt niet alleen binnenshuis, maar ook buiten op straat, in de buurt en de wijk. Mensen worden er gelukkiger van en voelen zich veiliger.”
Schat
Een leven lang wonen in een collectieve woonvorm gaf Flip, naast studies en projecten, een schat aan ervaringen en inzichten, hoewel het pioniersproject Centraal Wonen, bij zijn weten, nooit is geëvalueerd. “Maar ik kan wel zeggen dat we nooit leegstand hebben gekend en ook nooit hebben meegemaakt dat de tent werd uitgewoond.” Hoewel er nadien meerdere, sterk vergelijkbare collectieve woonvormen zijn gebouwd, is het precieze concept van Centraal Wonen met de gemeenschappelijke badkamers op de gang, voor zover bekend nog niet gekopieerd. Stelt dat Flip teleur? “Nu je het zegt”, grapt hij nogmaals. “Nee hoor!”
Lees meer:
- Centraal Wonen Delft
- Essay Flip Krabbendam
- Beschouwingen van Flip Krabbendam
- Odensehuis De Linde Delft in Centraal Wonen
- Interview met Tijmen Kuyper in Digimagazine ZorgSaamWonen
- CoWonen
- Overzichtskaartje van het Project Centraal Wonen: de projectruimte (rood), de clusterruimte (groen) en de groepsruimten (geel)

Reactie toevoegen